Een as van Ø25 mm krijgt een vaste naaf zonder axiale verschuiving. Welke spiebaanmaten en welke breedtepassing horen daarbij?
Maat volgt uit de asdiameter
DIN 6885-1 geeft spiebreedte b, spiehoogte h en insteekdieptes t1 (as) en t2 (naaf) per bereik van de asdiameter, niet als vloeiende formule. Voor Ø25 mm valt de as in het bereik >22 tot 30 mm: b = 8 mm, h = 7 mm, t1 = 4,0 mm en t2 = 3,3 mm, met een diepte-tolerantie van +0,2/0 mm. Lees de tabel op basis van de werkelijke asdiameter, niet op een afgeronde CAD-maat.
Breedte bepaalt de pasvorm, niet de diepte
De passing volgt uit de toleranties van zowel spie als sleuf. P9, N9 en JS9 beschrijven de sleufbreedte; geen van deze aanduidingen garandeert op zichzelf klemming of schuiven. Gebruik de werkelijke grensmaten en specificeer ook de spietolerantie. H9/D10 zijn werkplaatsconventies en geen universeel voorschrift voor een glijdpassing.
Rekenvoorbeeld: P9 op b = 8 mm
Bij b = 8 mm ligt de P9-sleuf tussen 7,949 en 7,985 mm. Neem expliciet een h9-spie aan: 7,964 tot 8,000 mm. De uitersten geven 0,021 mm speling of 0,051 mm overmaat: een overgangspassing, geen gegarandeerde klemming. Een H9-sleuf van 8,000 tot 8,036 mm geeft met deze h9-spie 0 tot 0,072 mm speling.
Aannames en toepassingsgrenzen
De tabel dekt parallelle spiebanen tot Ø110 mm; spline- en Woodruff-verbindingen vallen erbuiten. Er wordt geen afschuiv- of afplattingssterkte van de spie zelf berekend en geen spanningsconcentratie bij de sleufhoeken beoordeeld. Controleer die belasting apart bij hoge koppels of schokbelasting.